Een netwerk van docenten

image

Dat leraren over het algemeen over slecht ontwikkelde netwerken beschikken, is niet per se het gevolg van een gebrek aan het vermogen van individuele actoren, maar vooral een kwestie van een gemankeerde cultuur en structuur: een cultuur waarin het er niet toe doet of je over netwerken beschikt en een structuur die de ontwikkeling van netwerken eerder beperkt dan stimuleert.

bron: Het Alternatief II, 2015, Kneyber en Evers (red.)

In Het Alternatief II pleiten docenten René Kneyber en Jelmer Evers voor de ontwikkeling van ‘de netwerkleraar’. Volgens Kneyber en Evers heeft “de solistische leraar, die de deur achter zich dichttrekt en zijn lessen geeft, zijn langste tijd gehad. Wie zich wil wapenen tegen een afrekencultuur en een cultuur waarin het leraarschap de speelbal is van de politieke en de publieke opinie zal zich als een professional moeten opstellen.”

Kneyber en Evers onderscheiden twee belangrijke doelstellingen van een netwerk voor de docent: toegang tot kennis en het beïnvloeden van (Haags) beleid.

Het beïnvloeden van (Haags) beleid

De ontwikkeling van netwerken kan, volgens Kneyber en Evers, versterkt worden door leraren in deeltijd posities buiten de school te bieden, “in het kader van interessante carrièrepaden en richting een mobiliteit van kennis en professioneel kapitaal”. De netwerkleraar (bijvoorbeeld in de vorm van leraar-ambtenaar, leraar-onderzoeker of leraar-adviseur) kan door middel van Haagse contacten beleid beïnvloeden. “Door als beroepsgroep zorg te dragen voor de kwaliteit van het leraarschap voorkomt men de ongewenste bemoeienis van anderen.”

Op Twitter werkte dit type netwerk als een rode lap op de hoeders van goed onderwijs, Beter Onderwijs Nederland (BON): “Het is een misvatting dat alle docenten op een carrière zitten te wachten. Er zijn meer activiteiten die leraren kunnen ontplooien waar meerwaarde inzit. Netwerken waarvoor? Macht?”

BON heeft een punt. Er zijn ook praktische redenen: met 25 lesuren per week is een docent in het voortgezet onderwijs meer dan zoet. Een carrière als netwerkleraar – in de zin van beïnvloeder van beleid – is maar voor enkelen weggelegd.

Toegang tot kennis

Tegelijkertijd zijn docenten wel continu op zoek naar kennis. In ons artikel ‘Wat?! Adaptief en gepersonaliseerd leren?’ uit 2015 verwoordde een lerares Frans uit Hilversum het mooi: “Er wordt door niemand initiatief genomen om actief lesmateriaal en lesactiviteiten uit te wisselen en ik vraag me af hoe dit komt. Dit probleem speelt bij ieder vak, iedere docent. Dit heb ik nagevraagd bij collega’s. Hoe kan het zijn dat men uit is op verbetering van het onderwijs wanneer men onderling geen contact houdt? We zijn losse eilanden en vinden steeds zelf opnieuw het wiel uit. Dit vind ik ontzettend bizar.”

Door de (politieke) aandacht voor deel 1 van Het Alternatief (2013) wisten René Kneyber en Jelmer Evers het LerarenOntwikkelFonds op te zetten. In Trouw zei Evers over dit fonds: “Lesmateriaal dat je hiermee ontwikkelt, moet je wel delen met collega’s binnen en buiten de school.” Evers ziet de toekomst van de leraar in ‘lerende netwerken’. “De leraar is autonoom, maar behoort ook tot een collectief. Met collega’s binnen en buiten school moet hij voortdurend praten over het verbeteren van zijn vak. Wie straks geld krijgt uit het fonds, kan vijf tot zes keer per jaar samen onderwijs komen ontwerpen. Via sociale netwerken willen we het lesmateriaal ook digitaal ontsluiten. Alles is erop gericht de beroepsgroep te versterken en het onderwijs te verbeteren.”

Klinkt als een goed idee! En logisch dat digitaal kan helpen om ideeën op grotere schaal te delen. Het fysieke netwerk binnen de eigen school is toch vaak te klein.

Maar hoe begin je zo’n digitaal netwerk in het onderwijs? En hoe zorg je er voor dat zo’n netwerk zich blijft ontwikkelen? Dat lesmateriaal en lesideeën gedeeld worden? Dat docenten kunnen profiteren van elkaars kennis? Dat docenten suggesties doen voor kleine en grotere inhoudelijke verbeteringen? Dat docenten bijdragen door het maken van opgaven, toetsen en schoolexamenopgaven? En hoe waarborg je vervolgens de kwaliteit van de inhoud?

Een netwerk van economie docenten

Cumulus is zes maanden live. Meer dan honderd docenten maken gebruik van de proefperiode en de eerste tien scholen introduceren Cumulus volgend schooljaar als nieuwe lesmethode of aanvulling bij een bestaande lesmethode. En terwijl deze groep ‘early adopters’ natuurlijk nog klein is, zien we de eerste tekenen van de kracht van Cumulus als digitaal netwerk van en voor docenten.

Docenten en hun leerlingen downloaden lessen, opgaven en werkboeken en passen deze naar eigen inzicht aan. Maar belangrijker: docenten weten de feedback-knop te vinden en sturen kleine suggesties, voorstellen voor grotere structurele verbeteringen, lesideeën en actuele aanvullingen. Samen met de redactie worden deze suggesties en verbeteringen verwerkt, wekelijks verschijnen er updates aan het lesmateriaal. Docenten stellen inhoudelijke vragen aan de redactie, kijken zelf kritisch naar de eindtermen in de nieuwe syllabus 2017 (bij elk onderwerp in Cumulus worden de bijbehorende eindtermen getoond) en denken vooruit. Hoe moet Cumulus er in de toekomst uit zien?

De eerste scholen die zich hebben aangemeld voor komend schooljaar hebben feilloos door wat de potentie van Cumulus is. De basis, het fundament staat. Bij een traditionele lesmethode zouden we vervolgens vijf jaar wachten op de nieuwe druk. Voor Cumulus begint het echter nu pas. De tijd is gekomen om de inhoud (en de techniek) dagelijks door te ontwikkelen met hulp van de kennis en kunde van docenten economie in het hele land. Daar kan geen lesmethode tegen op.